In 1871 schreef Jozef Israëls over zijn toen 6-jarige zoon: ‘Mijn Isaac is zo gek op dieren dat hij niet alleen over hen praat maar ook over hen droomt. Hij is een knap dierenschilder en met hulp van de Heer zal hij een beter kleurenman worden dan zijn vader.’ En 10 jaar later heette het: ‘Mijn zoon schildert de krijgers die naar de oorlog gaan en ik schilder de wenende weduwen.’
Dat is een rake typering. Jozef was in die tijd vooral bekend als de schilder van het zware vissersleven langs de Nederlandse kust en zijn zoon begon zijn carrière in 1881 met militaire stukken.
De vader was daarnaast niet alleen een veelzijdig vertegenwoordiger van de Haagse School maar ook nauw verbonden met Europese klassieke kunstenaarskolonies, het hoofdthema van het Museum Domburg.
Tot ver in de jaren zestig van de 19de eeuw oriënteerde Jozef Israëls zich op de Franse natuurschilders, daarna verschoof het accent van het heuvelachtige, veelzijdige bos- en rivierenlandschap naar het vlakke Hollandse polderlandschap – en het vissersleven aan de Noordzeekust.
Tussen traditie en emancipatie
Beide Israëls bewogen zich tussen traditie en emancipatie. Zo waren zij lid van de ‘Mannenvereeniging voor Vrouwenkiesrecht’. Jozef Israëls echtgenote Aleida Schaap was zijn manager, de beheerder van zijn zaken. Jozefs dochter en Isaacs zusje Mathilde (1864-1945) werd een bekend feministe en voorvechtster voor vrouwenrechten.
Jozef Israëls was de leermeester van zijn zoon, die na studies aan de Haagse Academie en de Rijksacademie Amsterdam een moeilijke periode doormaakte en uiteindelijk steun vond bij de Tachtigers. De schrijvers en schilders van dat vernieuwende kunstenaarsgezelschap ontmoetten elkaar in de literaire cafés van Amsterdam. Zij tekenden, schilderden en beschreven elkaar. Ze richtten zich op de mens in de stad, aan het werk en aan de zelfkant van de samenleving. Hun ‘l’art pour l’art’ beweging bestond van ca. 1880 tot 1894 en maakte geleidelijk plaats voor gedachten over het opkomende socialisme en nieuwe opvattingen over kunst en maatschappij.
Onder hun invloed werd Isaac de schilder van de straat, de cafés, cabarets, mode en winkelmeisjes. Tijdens zijn vele reizen – vaak door onrust gedreven – voegde hij onder meer het circusleven, paardenraces en balletimpressies aan zijn onderwerpen toe. In de jaren 1921-1922 verbleef en schilderde hij in Nederlands-Indië.
Was de vader een romanticus die tot realist werd, de zoon ontwikkelde zich tot impressionist.
Een primeur
Uitgangspunt voor de tentoonstelling in Museum Domburg is een selectie van 10 fotogravures uit een map met 50 gravures, die ter gelegenheid van Jozef Israëls’ 80ste verjaardag in 1904 verscheen – 120 jaren later, ter herdenking van Jozefs 200ste verjaardag, presenteert Museum Domburg dus een deel daarvan opnieuw.
Prachtige bruiklenen uit de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam vullen de selectie aan, evenals een reeks werken van vader en zoon uit particuliere collecties die nog nimmer buiten de privésfeer te zien waren. Een unieke tentoonstelling!
Francisca van Vloten